Wisselteelt.

  • Elke soort plant heeft zijn eigen, specifieke behoefte aan mineralen. Wanneer je elk jaar op dezelfde plek dezelfde planten zou kweken put je de grond dan ook uit wat die bepaalde voedingsstoffen betreft. Er is nog een goede reden om wisselteelt toe te passen. Aardappelen kunnen last hebben van Phytophthera, kool van knolvoet en zo meer. De sporen, eitjes en poppen van deze boosdoeners kunnen overleven in de grond. Maar meestal maar een beperkt aantal jaren. Dus door je gewassen elk jaar op een andere plaats te zetten en pas na bijvoorbeeld 3 of 4 jaar weer op dezelfde plek maak je het erg moeilijk voor deze ziekteverwekkers en plaagdieren om te overleven.
  • Planten worden voor wisselteelt ingedeeld in 4 groepen:
    • kruisbloemigen: alle soorten kool, koolrabi, rammenas, raapstelen, paksoi, radijs, mosterdzaad
    • vlinderbloemigen: alle soorten bonen, peulen, erwten, kapucijners
    • nachtschaden: aardappels, paprika’s en tomaten
    • overigen: wortels, bietjes, knoflook, ui, prei, postelein, sla, andijvie, spinazie, mais, pastinaak, schorseneer, aardpeer, witlof, bleek- en knolselderie, courgettes en pompoenen.
  • Dat is gedaan omdat de planten in één zo'n groep vooral dezelfde plaagdieren hebben en dezelfde voedingsstoffen uit de grond halen. Dat geldt niet heel streng voor de groep “overigen”.
    Voor wisselteelt met deze vier plantengroepen deel je je tuin in 4 vakken in.
  • Wanneer je niet aan aardappels doet en je tomaten en paprika's in een kas teelt, wordt het een drievakken systeem met driejarige roulatie. Daar kun je een zesjarig systeem van maken door binnen een groep de gewassen ook iedere keer weer op een andere plaats te zetten. Bijvoorbeeld als na 3 jaar de vlinderbloemen weer op stukje A komen, zet daar dan de erwten neer wanneer daar 3 jaar geleden de bonen stonden. Wissel zo binnen de groep “overigen” wortels + uien af met prei + selderie.

Roulatieschema:

1e jaar kruisbloemigen

2e jaar overigen

3e jaar vlinderbloemigen

4e jaar aardappels


Wisselteelt op een tuin die in vier vakken A t/m D is verdeeld in vier opeenvolgende jaren:

Tuin in 1e

jaar:

 

tuin in 2e

jaar:

 

in 3e

jaar:

 

in 4e

jaar:

                     

A

C

 

A

C

 

A

C

 

A

C

kool-soorten

vlinder-

bloemige

 

overige

aardappel

 

vlinder-bloemige

kool-soorten

 

aardappel

overige

D

B

 

D

B

 

D

B

 

D

B

aardappel

overige

 

kool-soorten

vlinder-bloemige

 

overige

aardappel

 

vlinder-bloemige

kool-soorten

Bemesting

  • Het gebruiken van dit schema heeft het volgende bemestingsvoordeel: De koolsoorten kunnen een stevige bemesting gebruiken. Dus op vak A spit je in het voorafgaande najaar flink wat verse stalmest onder of in het vroege voorjaar werk je flink wat oude mest, compost of koemestkorrels door de grond. Het tweede jaar hoef je dat stuk niet te bemesten: de wortels, bietjes, sla en andijvie die je daar dan neerzet liften nog mee op de forse bemesting van de koolsoorten het jaar daarvoor. Het jaar dáárop zet je peulvruchten op dat stukje. Bemesten is niet nodig. En in het laatste jaar komen er aardappels. Die hebben dan alleen baat bij Kalium, dat je in de vorm van een paar handen patentkali tussen de planten kunt strooien wanneer je ze gaat aanaarden. Je gaat vak A pas weer flink bemesten vóór je er, het 5e jaar, weer koolsoorten neerzet.
  • Ik maak elk jaar in de winter een plattegrond van mijn tuin voor het komende jaar. Ik haal de schema’s van de vorige 4 jaren erbij. De nieuwe indeling is vooral gebaseerd op die van het afgelopen jaar. Dan vul ik heel gedetailleerd in wat waar gaat komen. Daarop baseer ik dan weer mijn bemesting die ik zo in de tweede helft van maart toepas, tenminste wanneer het weer dat toelaat